Home
Sleutelen aan de schepping
Groningen,
vrijdag 30 oktober 2009
Een half miljoen velletjes. Zoveel papier is nodig om in
2003 de drie miljard tekens van uw DNA uit te printen. In
dat jaar zal het Human Genome Project zijn afgerond en
zullen de ruim honderdduizend genen van het menselijk DNA in
kaart zijn gebracht. Een monnikenwerk dat - volgens
optimistische wetenschappers - de geheimen van de schepping
zal onthullen. Voortaan weten we van onze ongeboren kinderen
de maten van het lichaam, de kleur van de ogen en de
leeftijd waarop ze sterven. Als we het eenmaal weten - en
dat is dus bijna zover - zullen we het ook zelf gaan
bepalen.
Of de uitkomst van het genoomproject nu bevredigend zal zijn
of niet, het is duidelijk dat het leven van de nieuwe mens
voor een groot deel zal worden bepaald door de kennis die
het project oplevert. Het is zeer waarschijnlijk, dat
genetische testen onze aanleg voor alle bekende ziekten
bepalen. Al in het embryonale stadium kunnen genen worden
aan- en uitgeschakeld - bijvoorbeeld om te voorkomen dat een
mogelijke toekomstige ziekte zal toeslaan. Mochten we
niettemin ziek worden, dan halen we een op het lijf
geschreven recept. Onze DNA-kaart - die we dan als microchip
onder de huid dragen - onthult tot in detail onze
persoonlijke genetische make-up. De computer zoekt de juiste
medicijnen zonder bijwerkingen. Dat is nog eens iets anders
dan eindeloos uitproberen of een medicijn wel aanslaat.
Voorbij zijn die vragen waarom hetzelfde medicijn bij de één
werkt en bij de ander niet. Een grote verbetering, dus. Geld
en levens worden gespaard. En dat is nog maar het begin,
want wat kunnen we straks eigenlijk niet? We zullen onszelf
kunnen kopiëren (klonen), we kunnen genen van dieren in
mensen zetten en transgene varkens kweken als menselijke
orgaanfabrieken.
Behalve gezonder zal de nieuwe mens ook mooier willen zijn.
De gang naar de plastische chirurg is niet meer een
zorgvuldig bewaard geheim, maar een kans om de ster van
ieder verjaardagsfeestje te zijn. Ervoor: 'Wat dapper van
je!' En erna: 'Wat ben je mooi!' Jammer alleen, dat we meer
op elkaar gaan lijken. We willen namelijk allemaal dezelfde
neus en dezelfde lippen. Het ideale lichaam bestaat uit de
lippen van Claudia Schiffer, de neus van Cindy Crawford, de
ogen van Sophia Loren, de wangen van Kate Moss en de benen
van Elle McPherson. De plastische chirurg heeft maar een
handvol foto's op zijn prikbord nodig. Ook de farmaceutische
industrie draait op volle toeren om mensen aantrekkelijker,
sterker en slimmer te maken. En potenter. Viagra was nog
maar het begin. Binnenkort kunnen we medicijnen verwachten
tegen kaalheid, rimpels, geheugenverlies, gespannenheid,
vraatzucht en incontinentie. Die zullen het goed doen op de
markt. Immers, een mens slikt nu eenmaal liever een pil dan
dat hij een dieet volgt of oefeningen doet. Waarom moeilijk
doen als het makkelijk kan?
De nieuwe generatie medicijnen is niet bedoeld om ziekten te
genezen of te onderdrukken, maar is gericht op preventie.
Als pil tegen depressiviteit zette Prozac de deur open naar
een hele reeks life-style drugs. Veel van deze middelen
moeten een leven lang worden geslikt om hun werking te
behouden. Als je DNA-kaart een kale kruin voorspelt op je
dertigste verjaardag, moet je er vroeg bij zijn om dat
moment te voorkomen. Dat wordt slikken - van jongs af aan.
Als je je kind wilt behoeden voor Alzheimer - en welke ouder
wil dat niet? - is een pilletje per dag een uitkomst. Toch?
Dergelijke pillen zijn al op de markt. Evista, bijvoorbeeld,
van de firma Eli Lilly, dat het hormoon oestrogeen - dat
borstkanker kan veroorzaken - blokkeert en bovendien de
botmassa doet toenemen, waardoor osteoporose wordt
tegengegaan. Alleen al in de Verenigde Staten zijn er
achttien miljoen vrouwen die aan osteoporose lijden en
negenentwintig miljoen vrouwen die een verhoogd risico op
borstkanker hebben. Geen geringe klandizie.
Maar het is niet alleen de farmaceutische industrie die
gretig inspeelt bij de groeiende interesse in de preventie
van ziekten, ook de alternatieve markt vaart er wel bij -
soms met eeuwenoude middelen die oorspronkelijk een iets
ander doel dienden. Brain boosters, smart drinks,
vitaminepreparaten en voedingssupplementen zijn er in
overvloed: bloedzuiverende knoflook, lecithine, versterkende
Spirulina, aderverzorgende Venal, oppeppende en
inspiratiegevende guarana-drank, concentratie- en geheugen
bevorderende Ginkgo biloba, oppeppers als Energy Booster,
Ginseng Blast, Ostrin Plus-capsules en preventieve pillen
als Prostaat Vitaal voor wie te veel Passion Stimulator
heeft geslikt.
Over de hele wereld worden iedere dag duizenden nieuwe
middelen getest. Kostte het ooit vijftien jaar om een
medicijn te ontwikkelen, met nieuwe technologie en kennis
over hoe de cel werkt, zijn er inmiddels flink wat jaren van
die incubatietijd afgegaan. Om al die pillen kwijt te raken
worden mensen voortdurend nieuwe problemen aangepraat. Zo is
verlegenheid tegenwoordig een 'chronische, geestelijke
aandoening'. Het is onderzocht en hele volksstammen blijken
volgens een Amerikaanse mediacampagne - 'Stel je voor dat je
allergisch bent voor mensen' - aan deze sociale fobie te
lijden. Gelukkig is er nu een pil - Paxil - om je eroverheen
te helpen (zie ook Ode 28, pagina 43). De menopauze is ook
een ziekte geworden. Voor vrouwen geen onbekend verhaal,
maar volgens de persberichten van de pillenfabrikant hebben
ook mannen ineens last van een menopauze - maar mannen
hebben helemaal geen menses (Grieks voor perioden) en kunnen
die al helemaal niet stoppen (pausis), terwijl ze ook geen
aanwijsbare plotselinge hormonale veranderingen ondergaan.
Maar goed, mannen hebben nu dus ook 'opvliegers' en worden
'depressief', maar - oh toeval! - daar kunnen ze pillen
tegen slikken. De medicalisering van de westerse man neemt
een grote vlucht. In juli 1998 gaven de Amerikaanse
posterijen zelfs een postzegel uit waarop mannen werd
aangeraden vaker naar de dokter te gaan en zich regelmatig
op prostaatkanker te laten checken. Men vond dat de man zich
onvoldoende zorgen maakte om zijn gezondheid.
Als je eenmaal aan de schepping gaat sleutelen, zijn er vele
onzekere factoren. Niemand kan voorspellen wat de
toekomstige bijwerkingen zijn van deze nieuwe medicijnen en
hun combinaties. Spookverhalen daarover zijn er in ieder
geval voldoende. Onlangs bleek bijvoorbeeld, dat de
combinatie van twee middelen tegen vraatzucht - fenfluramine
en phentermine - tot ernstige hartklachten leidde. Voor zes
vrouwen was een acute hartoperatie het enige redmiddel. Of
neem de transgene varkens die ons straks van alle mogelijke
organen moeten voorzien. Een veelbelovend plan, want
duizenden mensen die nu sterven omdat de wachtlijst voor een
nieuwe nier te lang is, kunnen worden gered. Maar een
kritische vraag over de overdracht van dierlijke virussen is
niet of nauwelijks gesteld. Het is aannemelijk, dat de kans
bestaat dat dierlijke virussen bij zulke
orgaantransplantaties vrij spel krijgen. Bij transplantaties
wordt het immuunsysteem chemisch sterk onderdrukt om
afstoting te voorkomen. Het zou niet de eerste keer zijn dat
dierlijke virussen via medische handelingen in de mens
terechtkomen. Het gevaarlijke Afrikaanse Ebola-virus moest
het nog op eigen houtje doen om voor de mens een lastpak te
zijn, maar voor de eventuele nieuwe virussen is het een koud
kunstje: ze worden via lever of nier netjes in een menselijk
lichaam ingebracht.
Zulke perspectieven weerhouden farmaceutische giganten -
zoals Novartis Pharma AG, Nextran en Imutran - er niet van
om volop te experimenteren. Thans worden op hun verzoek
varkensorganen in bavianen getransplanteerd. Novartis
produceert een middel dat vrijwel iedere patiënt die een
orgaantransplantatie ondergaat, slikt om afstoting te
voorkomen. Wanneer het wordt toegestaan om varkensorganen in
de mens te transplanteren, zal de verkoop van dit middel -
cyclosporine - met sprongen stijgen. De truc is dus
eigenlijk kinderlijk eenvoudig: het geld wordt twee keer
verdiend: met de transplantatie en met de medicijnen om de
bijwerkingen van de transplantatie te verzachten.
Vergeleken bij dit soort levensgevaarlijk gemodder van de
farmaceutische industrie lijkt het genoomproject een
uitkomst. Wat is er mooier dan direct op het diepste niveau
de oorzaak van de ziekte weg te nemen? Simpelweg een paar
genen aan- of uitzetten en hopla, daar is de belofte dat er
geen ziekte zal optreden. Eindelijk zal de moderne
geneeskunde zich kunnen verlossen van het verwijt, dat ze
slechts aan symptoombestrijding doet. Maar zo eenvoudig is
het niet. Complexe organismen als de mens zijn meer dan een
optelsom van hun genen. De meeste genen beïnvloeden
verschillende aspecten. De relaties tussen genen zijn niet
eenduidig en rechtlijnig. Er is sprake van complexe
interacties, die ook nog eens door omgevingsfactoren worden
beïnvloed. De volgorde van die honderdduizend genen vertelt
ons bitter weinig over hun functie en wisselwerking. De
paradox: hoe meer we over genen te weten komen, hoe meer we
beseffen dat we er weinig van begrijpen.
Neem depressiviteit, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) binnenkort - naast infectieziekten - de belangrijkste
aandoening en doodsoorzaak. Hoe mooi zou het niet zijn om
het 'depressiviteitsgen' te vinden en onschadelijk te maken?
Het levert een schatrijke Nobelprijswinnaar op en een
opgewekte wereld. In de afgelopen twaalf jaar hebben zestien
verschillende onderzoeksteams genen voor manische
depressiviteit gevonden. Maar helaas, de genen bevonden zich
telkens op een andere plek: in totaal vijftien verschillende
locaties in elf verschillende chromosomen. Bovendien: geen
van de bevindingen - die in de wetenschappelijke en
populaire pers met gejuich werden onthaald - kon worden
herhaald.
Ander voorbeeld: in 1996 ontdekten wetenschappers een gen
voor nieuwsgierigheid. Een jaar later liet een ander
onderzoek zien, dat hetzelfde gen een relatie vertoont met
de neiging om aan heroïne verslaafd te raken. Als we - met
welke bedoelingen dan ook - nieuwsgierigheid willen
'programmeren', zouden we dus ook een verhoogd risico
oplopen om verslaafd te raken. Nog zoiets: als we een
eigenschap als 'opgewektheid' willen programmeren, dan
moeten we alle genen die bij depressie en somberheid
betrokken zijn, manipuleren. Stel dat dit lukt, dan is de
kans groot dat deze genetisch geprogrammeerde mens - in de
woorden van Elsevier-journalist Simon Rozendaal - 'ook
verzot is op bungeejumpen, zich na twee bladzijden Stendhal
al te pletter verveelt, bij voorkeur onbeschermde seks heeft
met een seropositieve asielzoekster, xtc-pillen slikt alsof
het Stimorolletjes zijn en er dol op is bloot door het beeld
te rennen tijdens een Wimbledon-finale.'
Steeds openlijker klinken dan ook twijfels en serieuze
waarschuwingen. In Exploding the Gene Myth komen
Harvard-biologe Ruth Hubbard en wetenschapsjournalist Elijah
Wald tot de conclusie, dat het genoomproject niet alleen
wetenschappelijk en intellectueel frauduleus is, maar
wetenschappers bovendien afhoudt van werkelijke oplossingen:
'De focus op micro-organismen en genen leidt de aandacht af
van de invloeden vanuit de samenleving. Bovendien stellen
wetenschappers op die manier hun eigen monopolie veilig,
door de preventie van ziekte binnen de deuren van
wetenschappelijke instituten en laboratoria te houden.'
En dan is er de ethiek van de maakbare mens. Stel
bijvoorbeeld, dat het ons lukt om 'intelligentie' te
programmeren, dan zou dat - voorlopig - alleen zijn
voorbehouden aan de zeer rijken. Het gevolg is een nieuwe
klassenmaatschappij à la Brave New World. Willen we dat?
Genetisch ingrijpen zal ons steeds meer maken tot de
stereotype voorgeprogrammeerde alfa's, bèta's en gamma's die
Aldous Huxley zo treffend beschrijft. Wat is er tegen
diversiteit? En stel nu dat je - als ouder - straks geen
hypotheek op je huis hebt genomen om het genetisch
optimaliseren van het intellectuele vermogen van je kind te
bekostigen, kun je dan op latere leeftijd een proces van je
kind verwachten wegens nalatigheid? Willen we eigenlijk wel
hyperintelligent zijn? Is het wel zo prettig om over een
sterk vergrote geheugencapaciteit te beschikken? Is het niet
gezond en prettig dat we ook dingen vergeten? Is een
gebrekkig geheugen niet ook een geschenk van de natuur?
Voorstanders van gentherapie stappen simpel over zulke
ethische overwegingen heen: wat - als het er al is - is het
verschil tussen een betere school of een beter gen voor een
kind kopen?
Maar zelfs nog voordat we één gen hebben gemanipuleerd,
stapelen de problemen zich al op. Er zijn inmiddels meer dan
450 pakketten op de markt om jezelf - en anderen - op
genetische aandoeningen te testen. Helaas is aan 99 procent
van de geteste genetische afwijkingen niets te doen. Het
gevolg is, dat mensen - die zich op dit moment kerngezond
voelen - opeens te horen kunnen krijgen dat ze eigenlijk
ziek zijn of dat zeer binnenkort zullen worden.
Verschillende onderzoeken tonen aan, dat sommige mensen zo
ontvankelijk zijn voor een dergelijke mededeling, dat ze
alleen daarom al ziek zullen worden. Inmiddels kun je per
postorder een watje met speeksel op van alles en nog wat
laten testen. Dat leidt tot regelrechte rampen - ook al
doordat niet iedere test even betrouwbaar zal zijn: lees de
bijsluiter. Zo wijst eenderde van de vaderschapstesten uit,
dat de betrokkene niet de biologische vader van het kind is.
De gevolgen laten zich raden. Hier wordt de betrekkelijkheid
van genetische aanleg meteen duidelijk. Er is immers heel
wat meer dan een gemeenschappelijke genetische achtergrond
nodig om een hecht gezin te zijn.
Velen kiezen er daarom ook voor om niet te willen weten hoe
zij genetisch in elkaar zitten. Dat is hun goed recht. Maar
ook dit leidt tot problemen, zoals de
erfelijkheidsdeskundige Hans Galjaard beschrijft in zijn
boek Alle Mensen Zijn Ongelijk. Een jonge man krijgt te
horen, dat hij vijftig procent kans heeft om op middelbare
leeftijd de ongeneeslijke ziekte van zijn vader te krijgen.
Er bestaat een DNA-test waarmee hij zekerheid kan krijgen of
hij inderdaad drager is van deze erfelijke afwijking. De
jongen is net bezig carrière te maken, maakt gebruik van
zijn recht om het niet te weten en weigert de test. Dan
trouwt hij. Ze willen kinderen. Zijn vrouw is zeker: als ze
zwanger is, wil ze een prenataal DNA-onderzoek om te weten
of haar kind de ziekte van zijn vader zal overerven. Ze
vindt dat ze het recht heeft om dit te weten. Maar het
dilemma is duidelijk: als blijkt dat het ongeboren kind de
genetische afwijking inderdaad heeft, dan kan dat maar van
één iemand afkomstig zijn: de vader - en die wilde dat nu
juist niet weten.
De opmars van de gentechnologie versterkt de waan dat geluk
en gezondheid te koop zijn. In plaats van zélf
verantwoordelijkheid te nemen voor zijn welzijn, vertrouwt
de mens op de technologie om hem gelukkig, mooi en gezond te
maken. Hij geeft zijn autonomie uit handen en levert zich
over aan de medische wetenschap en vooral ook aan de
industrie, die geld aan hem wil verdienen. Zolang we onze
schoonheid blijven afmeten aan een strakke huid en sterke
buikspieren, blijven we slaven. Wie vrij wil zijn, zal zich
moeten losmaken van de terreur van het 'volmaakte lichaam'.
We zijn meer dan mechanisch programmeerbare wezens. We zijn
meer dan onze billen, neuzen, merkkleding en haarcoupes. We
zijn ook meer dan onze intelligentie of depressie.
Schoonheidsidealen als 'zo slank zijn als je dochter'
beroven ons van de schoonheid die iedere levensfase met zich
meebrengt. Een 65-jarige man heeft nu eenmaal niet de
potentie en dadendrang van een 18-jarige. Hoeft ook niet,
want ook zijn vrouw verliest rond haar vijftigste het
vermogen om kinderen te krijgen. De gedachte achter Viagra -
een man is alleen een man als hij een immer kloppend lid
heeft - is een belediging voor levensfasen waarin andere
vormen van intimiteit aan bod komen. Dergelijke 'medicijnen'
draaien de klok op een onnatuurlijke wijze terug. Voor de
man, welteverstaan. Zou het middel ook zijn bedacht als er
een vrouw op de directeursstoel van Viagra-fabrikant Pfizer
zou zitten? Of zou het dan een pil zijn die mannen
gevoeliger maakt? Een pil die hen beter doet luisteren en
zorgvuldiger laat zijn in het optillen van de wc-bril.
Misschien is een ideaal lichaam maakbaar met pillen en
gentechnologie, maar is de mens niet méér dan zijn lichaam?
Maken we niet de fout slechts aan de 'auto' te sleutelen,
terwijl de 'bestuurder' buiten schot blijft? Wat is een
mens? Het lichaam is vergankelijk. Iedere zeven jaar
vernieuwen vrijwel alle cellen zichzelf en is er geen
molecuul meer op zijn plaats. En toch bestaan 'wij' dan nog
steeds. Wat is de kracht die ons maakt tot wie wij zijn? Wat
is de kracht die iedere cel bestuurt en bezielt? Wat is onze
werkelijke identiteit? De Amerikaanse moleculair bioloog Lee
Silver (zie ook pagina XXX) maakt een onderscheid tussen
'leven' en 'levend' - ofwel tussen vegetatief leven en
bewust leven. Een plant 'leeft' vegetatief, maar het unieke
van de mens is zijn bewustzijn. Hij is 'levend', hij is zich
bewust van zijn bestaan en dat bewustzijn tilt hem boven de
materie, boven zijn lichaam uit. Dus, wat zijn we eigenlijk
aan het veranderen als we genen manipuleren en chemische
pillen slikken? Niet onszelf, zo lijkt het. De oppervlakkige
veranderingen die we najagen, hebben in feite een hoog ''verras-uw-vrienden'-gehalte.
Maar die uiterlijke schoonheid en tijdelijke veranderingen
leiden ons wel af van waar het werkelijk om gaat: innerlijke
schoonheid, innerlijk welzijn.
In onze drang om onszelf en de natuur te beheersen en te
controleren, raken we iets buitengewoon essentieels kwijt:
onszelf. We vergeten wie we werkelijk zijn. Door ons steeds
meer met ons lichaam te identificeren en de ziel buitenspel
te zetten, zijn we niet meer in staat te beoordelen wat wel
of niet goed voor ons is. Het gevolg is, dat we onszelf met
genen injecteren om onze spieren op te blazen, terwijl we
onderweg hart en hersenen opblazen. Om nog maar te zwijgen
over de geestelijke schade die zo'n ingreep met zich
meebrengt.
Wat is er mis met de natuur? Wat is er bijvoorbeeld mis met
een opstandige puber? Twintig jaar geleden werd van pubers
niet anders verwacht. Nu krijgen ze Ritalin, zodat ze op
school niet al te rumoerig zijn en Prozac, zodat ze niet zo
somber lopen te kijken. Er zijn al eens pogingen ondernomen
om onvolkomenheden weg te werken en een zuiver ras te
kweken. We mogen van geluk spreken, dat destijds niet de
kennis beschikbaar was die er nu is. De vraag is echter, of
de gedachte achter de technologie wel werkelijk zoveel is
veranderd. Het nieuwe gentechnologische denken heeft al een
spermabank van Nobelprijswinnaars en een veiling van
eicellen van fotomodellen opgeleverd. Is dit echt veel
anders dan de Operatie-Lebensborn, waarbij de slimste
SS-officieren het bed moesten delen met de mooiste Duitste
vrouwen?
De wetenschapssociologen John Fletcher en Dorothy Wertz
hebben recentelijk de denkbeelden van
erfelijkheidsonderzoekers in kaart gebracht. De uitkomst was
schokkend, want alleen het merendeel van genetici in de
Verenigde Staten en Noord-Europa had ethisch aanvaardbare
bedoelingen. Daarbuiten was rasverbetering de voornaamste
doelstelling. Gedwongen sterilisatie en sociale
stigmatisering zijn daar gangbare praktijken. Niet alleen in
China - waar het voorkómen van de geboorte van
'minderwaardig' leven regeringsbeleid is - maar in geheel
Azië, Oost- en Zuid-Europa, Afrika en Latijns-Amerika vindt
de meerderheid van genetici het 'onverantwoord' dat ouders
willens en wetens een kind met een erfelijk gebrek ter
wereld brengen.
De vraag of de nieuwe gentechnologie wel of niet wenselijk
is, wordt tegenwoordig overgelaten aan filosofen en ethici.
De discussie gaat er allang niet meer over of de genetische
benadering überhaupt werkt, maar alleen over de vraag welke
toepassingen wenselijk of mogelijk zijn. En dat wordt al
snel een irrationele discussie. Aart Brouwer concludeert in
De Groene Amsterdammer, dat het genoomproject ons - net als
de godsdienst of het communisme van weleer - een eeuwig
leven of paradijs op aarde voorspiegelt. We hebben er dus
weer een -isme bij: het genomisme - en dat is wel het
laatste wat we nodig hebben als we verstandige beslissingen
willen nemen. Maar we kunnen ons de moeizame oefeningen in
de ethiek besparen, want de vraag of de gentechnologie goed
of slecht is, is eigenlijk helemaal niet aan de orde. We
hebben geen commissies nodig om te bepalen wat wel of niet
goed voor ons is. Techniek is per definitie neutraal - een
lantaarnpaal is niet goed of fout, hetzelfde geldt voor
atoomtechnologie. Wat telt, is hoe en of wij de technologie
gebruiken. En dat is een vraag die geen objectief, voor
iedereen geldend antwoord heeft.
Wat bij de een past, kan voor de ander een vloek zijn. Elk
mens staat voor de uitdaging in zijn leven zijn eigen brug
naar de technologie te slaan. Ofwel: zijn we in staat de
verworvenheden van de technologie te integreren? De natuur
heeft grillige grenzen en zij laat zich niet forceren. Als
de cultuur die grenzen overschrijdt - als de brug niet wordt
geslagen - hapert de harmonie: een lichaam wordt ziek of de
elementen slaan terug - een varkenshart wordt uitgespuwd,
een genetische manipulatie creëert bijwerkingen, woekeringen
of gedrochten. Biosfeer II heette het project in de woestijn
van Arizona waarin mensen werden opgesloten om te overleven
in een kunstmatige natuur. Het project mislukte - die
ingreep liet de natuur zich niet opleggen. Onze grootste
zorg is cultuur en natuur hand in hand te laten gaan, zodat
we onszelf nog herkennen en niet van onszelf vervreemd
raken, zoals een automobilist die zijn auto niet meer kan
besturen.
Het ziet ernaar uit, dat we in veel gevallen
proefondervindelijk zullen moeten ervaren of de nieuwe
technologie ons past. En dan te bedenken, dat de
gentechnologie ons nu juist zekerheid zou brengen over wat
er ging gebeuren, omdat we het zouden kunnen programmeren.
Met deze paradox wordt de prijs van het (gen)technologische
denken meteen duidelijk: iedere technologische vondst of
mechanische oplossing heeft een effect op natuurlijke,
biologische systemen. De telefoon maakte het mogelijk
iedereen altijd te bereiken, maar ontneemt de moderne mens
de telepathische vermogens van natuurvolkeren. Prins Charles
verwoordde het in een recente bijdrage aan de
gentech-discussie mooi: 'Staan we de industrialisatie van
het leven zelf toe, waarbij we de natuurlijke omgeving ten
behoeve van ons eigen comfort vervormen?'
Waren we in de jaren zestig en zeventig nog bereid naar
binnen te kijken, langzame veranderingsprocessen een kans te
geven, de samenleving te 'maken' en onszelf te veranderen,
nu slaken we een collectieve zucht van verlichting. We laten
het graag aan de machinerie van biologische manipulaties
over om betere mensen en een betere samenleving te maken.
Overgeleverd aan de dynamiek van de technologie, verliest de
nieuwe mens steeds meer het contact met zijn eigen natuur.
De uitdaging zal zijn om deze verbinding opnieuw te leggen.
Om vanuit innerlijke beleving de technologie te integreren.
Want alleen dan brengt technologie ook geluk.
Originele bron:
kristijn.com
Bron:
aquariusage
Home |